Het percentage van mensen die zich gelukkig noemen is in veel rijke westerse landen al jarenlang min of meer stabiel is daalt en in sommige landen zelfs licht daalt, vooral in België!! Nu mag het niets nieuws zijn dat vroeger geluk nog heel gewoon was, voor economen roept het intrigerende vragen op. Immers, een onomstreden uitgangspunt van de economische wetenschap – haast met de status van een axioma – is dat een hoger inkomen een hoger ‘nut’ oplevert oftewel, in alledaagse taal, mensen gelukkiger maakt. Een hoger inkomen levert immers meer keuzemogelijkheden op en derhalve ook meer kans om je behoeften te bevredigen. En dat staat voor economen gelijk aan een hoger nut of geluk. Maar hoe valt dit te rijmen met het feit dat het gemiddelde inkomen in veel rijke landen de afgelopen dertig of veertig jaar is verdubbeld, terwijl mensen gemiddeld genomen niet gelukkiger zijn geworden?
Als men het effect van de aanpassing van aspiraties aan het bereikte welvaartspeil ( gewenningseffect )(preference drift) en van vergelijking met anderen (reference drift) combineert, blijkt er van het ‘verwachte’ effect van een inkomensstijging op het geluk zo’n driekwart verloren te gaan in geval van een algehele welvaartsstijging. Doordat een hoger inkomen aanvankelijk echter een beduidend sterker effect heeft op het geluk – het duurt even voor mensen hun aspiraties aanpassen en in de gaten hebben dat anderen ook rijker zijn geworden – blijven de meeste mensen toch steeds weer naar een hoger inkomen streven. Het is dus vooral zaak om niet achter te blijven bij anderen. Als een enkeling in een groep een hoger inkomen weet te realiseren, vormt dit voor de andere groepsleden dus een sterke prikkel om mee te doen aan de rat race. Wie een hoger inkomen nastreeft, benadeelt daarmee – vaak ongewild en onbedoeld – anderen, omdat hun geluk afneemt als het inkomen van de eerste stijgt.
Als een algehele inkomensstijging nog maar weinig bijdraagt aan het geluk van de bevolking, is vervolgens de vraag wat mensen dan wel gelukkiger maakt. Als we ons beperken tot het ‘traditionele’ economische domein zijn er twee factoren die er met name toe doen: werkloosheid en inflatie.
Niet-economische factoren leggen meer gewicht in de schaal als we verschillen in geluk tussen mensen of veranderingen in geluk in de tijd willen verklaren. Dit mag voor sociologen en psychologen vanzelfsprekend zijn, voor economen is het blijkbaar een nieuw inzicht. Layard laat een groot aantal sociale, psychologische en fysiologische factoren de revue passeren. Hij pretendeert met zijn boek dan ook een aanzet te geven tot een nieuwe wetenschap – de ondertitel van zijn boek luidt: ‘Lessons from a new science’ – die economische, sociologische, psychologische, neurofysiologische en filosofische inzichten integreert.
Allereerst hebben vijf factoren waarvan men dit wellicht wel zou verwachten, volgens Layard geen noemenswaardig effect op het geluk: leeftijd, geslacht, uiterlijke schoonheid, IQ en opleidingsniveau. Vijf andere doen er daarentegen wel toe (naast de reeds genoemde economische factoren, relatief inkomensniveau en werk): gezinsrelaties, gemeenschap en vrienden, gezondheid, persoonlijke vrijheid en persoonlijke waarden. Een (goed) huwelijk, vertrouwen in andere mensen (of sociaal kapitaal, zoals dit tegenwoordig vaak wordt genoemd) en een goede gezondheid verklaren in belangrijke mate waarom sommige mensen in een land gelukkiger zijn dan andere. Verschillen in geluk tussen (rijke) landen hangen samen met de mate van vrijheid. Ten slotte zou geluk ook samenhangen met ‘our inner self and our philosophy of life’ (Layard, p. 71).
Layard formuleert een ambitieuze beleidsagenda. De tweede helft van zijn boek gaat geheel over de vraag ‘what can be done?’. Van de vele suggesties die hij daarin doet zijn het temmen van de rat race, het vergroten van zekerheid en het ontwikkelen van nieuwe medicijnen de interessantste. Aangezien het geluk van mensen in belangrijke mate afhangt van hun relatieve positie, worden sommige deelnemers aan de rat race weliswaar gelukkiger, maar gemiddeld genomen worden de deelnemers er niet wijzer van. Ieders inspanning is er immers in belangrijke mate op gericht om anderen te snel of te slim af te zijn. Mogelijkheden om de rat race te beperken zoekt Layard onder meer in het zwaarder belasten van overwerk, het belasten van verslavende consumptie, het meer waarderen en respecteren van activiteiten die aan het welzijn van anderen bijdragen (denk aan vrijwilligerswerk) en het beperken van reclameboodschappen die speciaal op kinderen zijn gericht.
Het menselijk geluk kan ook worden vergroot door meer zekerheid te bieden. Layard zet daarmee een populaire redenering op haar kop, namelijk dat meer flexibiliteit, dynamiek en risico’s nodig zijn voor welvaartsgroei. Als dat zo is en als welvaartsgroei ons niet of nauwelijks extra geluk oplevert, dan kunnen we beter genoegen nemen met wat minder groei en meer zekerheid en stabiliteit, stelt Layard. Waarom zouden we baanzekerheid, stabiele gemeenschappen en de mogelijkheid van ouders om voor hun eigen kinderen te zorgen – elk een belangrijke voorwaarde voor geluk – opofferen voor een beetje meer economische groei, dat ons niet noemenswaardig gelukkiger maakt?
Ten slotte heeft Layard ook hoge verwachtingen van de ontwikkeling van nieuwe medicijnen – wellicht kan het Engelse woord ‘drugs’ hier beter onvertaald blijven – die psychische klachten, zoals depressiviteit en schizofrenie, kunnen verlichten. Prozac ziet hij in dit verband als een veelbelovende stap vooruit. Uiteindelijk zou hierdoor ook ‘recreatief’ gebruik van drugs mogelijk worden zonder negatieve bijwerkingen als verslaving, die aan de meeste huidige drugs kleven. Er valt natuurlijk over te discussiëren of drugs mensen ooit het ‘ware geluk’ kunnen brengen of hen slechts in een staat van ‘schijngeluk’ brengen. Niettemin verdient Layards idee serieuze discussie. Tal van middelen om ons prettig te voelen – van alcohol tot voetbalwedstrijden, van een goed boek tot een verfijnde maaltijd – zijn immers volledig geaccepteerd. Het valt niet goed in te zien wat het fundamentele verschil is tussen deze genotsmiddelen en de ‘geluksdrugs’ van Layard. Dat betekent natuurlijk niet dat economen hierover meteen het laatste woord te melden hebben. Dat zij zich, twee eeuwen na Adam Smith, weer serieus in vraagstukken van welzijn en moraal verdiepen, valt te prijzen. Maar enige bescheidenheid zou hun op dit terrein wel sieren.
Lord Richard Layard sluit zijn boek Happiness af met negen aanbevelingen voor maatregelen en praktijken die naar zijn mening ons geluk zullen bevorderen.
* Hou de ontwikkeling van het geluk even secuur bij als de ontwikkeling van het inkomen.
* We moeten onze houding overdenken op een aantal fronten. We moeten de rol erkennen die het betalen van belasting speelt in het evenwicht tussen leven en werk. We moeten ons zorgen maken over de manier waarop het prestatieloon de ratrace bevordert. En we moeten rekening houden met de negatieve invloed van mobiliteit op misdaad en familiebanden.
* Besteed meer geld aan het helpen van de armen, vooral in de Derde Wereld.
* Besteed meer geld aan de aanpak van geestesziekten, zoals depressie.
* Maak het werken meer gezinsvriendelijk door middel van flexibele werktijden, ouderschapsverlof en makkelijker toegang tot kinderopvang.
* Subsidieer activiteiten die het gemeenschapsleven bevorderen.
* Verlaag de werkloosheid. Om voor steun in aanmerking te komen moeten mensen verplicht werk aanvaarden.
* Verbied commerciële reclame die op kinderen gericht is.
* Verbeter het onderwijs.
'Happiness' van Lord Richard Layard, The Penguin Press, New York, 2005