HELENA VAN TROJE (Aeschylus)
Aanvankelijk kwam naar Trojes stad
het gevoel, zou ik zeggen,
van windstille zee,
het vredige beeld van weelde,
een zachte pijl in het oog,
een hartbrekende bloem
van begeerte.
van Aeschylus (5de eeuw vóór Christus)
Aanvankelijk kwam naar Trojes stad
het gevoel, zou ik zeggen,
van windstille zee,
het vredige beeld van weelde,
een zachte pijl in het oog,
een hartbrekende bloem
van begeerte.
van Aeschylus (5de eeuw vóór Christus)
Vroeger hield ik alleen van je ogen. Nu ook van de kraaiepootjes ernaast. Zoals er in een oud woord als meedogen meer gaat dan in een nieuw. Vroeger was er alleen haast om te hebben wat je had, elke keer weer. Vroeger was er alleen maar nu. Nu is er ook toen. Er is meer om van te houden. Er zijn meer manieren om dat te doen. Zelfs niets doen is er daar één van. Gewoon bij mekaar zitten met een boek. Of niet bij mekaar, in 't cafè om de hoek. Of mekaar een paar dagen niet zien en mekaar missen. Maar altijd mekaar, nu toch al bijna zeven jaar. Herman De Coninck, 1944-1997
‘k Geef nu aan jou mijn vreugd, mijn leed en
mijn schemergouden dromenschat,
opdat je later nog zal weten
hoe ik je eens heb liefgehad.
Later, als al dit schoon voorbij is,
want tijd neemt liefde, vreugde, smart-
als elk van ons weer droef en blij is
dicht aan een nieuwgevonden hart,
dan zal ineens alles vervagen
bij ’t zien van dit vergeten blad;
je zal weer dromen van de dagen
toen we in elkanders ogen zagen,
toen ik je zo heb liefgehad.
Adriaan Roland Holst, 1888-1976
De boer met zijn ploeg:
hij rijt het voorjaar open.-
De aarde ademt weer.
Bart Mesotten (vader van haikudichtkunst in Vlaanderen)
Eens, diep in februari, was ik moe,
een week lang moe; de dagen en de nachten
gleden doelloos voorbij mijn raam en zachte
sneeuwvlokken dekten alle wegen toe.
Ik dacht verdoofd: sinds ik mijn dag verdoe,
lijkt het mij beter alles te verachten;
er staat, zegt men, de wereld veel te wachten
aan klein geluk, doch ik zie niet meer hoe …
Een middag echter, toen de dooi intrad,
zocht ik het park en vond, in plaats van zwanen,
de armste kinderen uit onze stad,
die lachend sprokkelden in hoge lanen.
En eensklaps was ik weer verheugd, omdat
men zich met nat hout ook verwarmd kan wanen …
Max Dendermonde, 1959