KAST
Een olmen kast, waar stond de boom?
Wie zag hem rijzen, wie heeft hem geveld?
Die 't meubel bouwde had een droom,
maakte hem waar en ik kocht hem voor geld.
Een plank trekt scheef, hoe trok de boom?
Wie zag zijn jeugd en zijn seizoenen,
zijn zwarte kaalte en zijn festoenen,
het zwiepen in het windgeweld,
zijn zinken in een avonddoom?
Die scheluwte is de vrouw aan 't boenen,
na 't beitsen met het dood dier spons.
Is 't denkbaar dat hij weer gaat groenen?
Dromen van dromen van een droom,
het leven leeft te ver van ons.
Hubert van Herreweghen, 1920